De zon zindert door de stad en mijn vrienden verplaatsen zich massaal naar het strand. In hun tas een dierentuin aan opblaaskrokodillen, -tijgers en eenhoorns en een zee aan zonnelotion. Stilletjes trek ik mijn kaplaarzen aan en vertrek op expeditie naar het oosten. Het is tijd voor mijn jaarlijks detox waarbij ik in een klap afkick van Starbucks slurpende en tarwegras grazende stedelingen.
Diepenveen is mijn bestemming, het uit de polderklei opgetrokken gehucht waar mijn ouders voor een halve stuiver nog een huis konden kopen en dit weekend hun verjaardag vieren. Nog geen vluchteling wil er een tent opzetten, maar mijn ouders beweren dolgelukkig te zijn tussen de ploeterende plattelandbewoners. Eens per jaar kom ik er niet onderuit om af te reizen naar dit onbegrijpelijke geluk. Dat is op de verjaardag van mijn ouders. Gelukkig zijn zij van het efficiënte soort en hebben ze hun geboorte slechts een dag na elkaar gepland. ‘Voel je niet verplicht hoor’, zegt mijn moeder met een stem die zoeter is dan de hele Jamin bij elkaar. ‘Maar ik zou het héééél leuk vinden als je weer eens hiernaartoe komt.’
En dus ga ik. Op weg naar waar de kleinhuiselijke kneuterigheid zegeviert en de inwoners rechtstreeks onder een hunebed vandaan zijn gekropen. Een flink reis want het dorp ligt op een afstand van tien kilometer koeiengeloei en schapenstront van Deventer. Tien kilometers die zo gul bestrooid zijn met rotondes en guitige plantenbakken dat ze langer duren dan de hele treinrit van Amsterdam naar Deventer. En dat ligt niet aan die enorme snelheid van de trein die allang een hogesnelheidstrein had moeten zijn.
Verpakt in een polderkleibestendige outfit dat niet zou mistaan in een jungle-editie van Expeditie Robinson, trap ik me op een rammelende OV-Fiets door de weilanden. Als een beschonken boerin slalom ik behendig mijn wielen om de koeienvlaaien en geitenkeutels Deventer uit. Voor mij ligt Diepenveen, verscholen tussen net zoveel bomen als Amsterdam Nutella-toko’s telt. Mijn neusvleugels worden door de schone lentelucht uit een diepe smogslaap gewekt. In plaats van toeterende taxi’s en tramgerinkel word ik omgeven door het vrolijke gekwebbel van gezwelloze vogels. Een klein uur later lig ik in het onbespoten gras van mijn ouders. Met mijn blote tenen tel ik de grassprieten en merk ik weer hoe mooi de wereld buiten de ring kan zijn.

Plaats een reactie